Studentenwetgeving

Het sociaal recht voorziet bijzondere bepalingen voor de “student”. Hier kom je te weten wie er wordt beschouwd als student en wie niet. Verder gaan we na onder welke voorwaarden studenten kunnen tewerkgesteld worden onder het voordelige RSZ-statuut. We lichten de regeling met betrekking tot de aanpassing van het studentencontingent van dagen naar uren toe. Ook de fiscale gevolgen en de gevolgen op het vlak van kinderbijslag worden onder de loep genomen. Tenslotte hebben we oog voor de bijzondere situatie van de schoolverlaters. 



Definitie: wie is student?

Wie moet worden beschouwd als student? Het antwoord op deze vraag is van cruciaal belang, maar niet altijd even eenvoudig.

Nergens in de wet vinden we een definitie van de student. Toch wordt doorgaans onder de term student verstaan: hij die zijn hogere studies voortzet of het middelbaar-, hoger-, beroeps- , technisch- of kunstonderwijs volgt. In principe mogen alle personen die onder deze definitie vallen, werken als student voor zover zij niet onder één van de uitsluitingen vallen (zie hieronder). Ook thesisstudenten worden beschouwd als student.

Wie kan niet beschouwd worden als student?

Studenten die al meer dan 12 maanden werken

De RSZ stelt dat studenten die minstens 12 maanden onafgebroken bij dezelfde werkgever werken, voor hun tewerkstelling bij deze werkgever als gewone werknemers worden beschouwd. Eenmaal men deze dienstanciënniteit bij een werkgever heeft opgebouwd, blijft die voor de volgende jaren gelden en kan men volgens de RSZ met deze werkgever geen arbeidsovereenkomst voor studenten meer sluiten.

Opeenvolgende contracten die met een korte onderbreking worden afgesloten, zullen waarschijnlijk niet als een ononderbroken tewerkstelling worden beschouwd. Bij tewerkstelling van studenten als uitzendkracht zullen zich in de praktijk bovendien vaak onderbrekingen voordoen, bv. tijdens examenperiodes.

Studenten avondschool of die onderwijs volgen met een beperkt leerplan

Iemand die in avondschool Franse les volgt, een cursus tekenen, kooklessen, enz…. kan niet beschouwd worden als een student.

De onderwijsinstelling zelf kan meer informatie geven over het feit of betrokkene is ingeschreven in het dag- of avondonderwijs en/of onderwijs met beperkt of voltijds leerplan volgt (volgens de onderwijswetgeving).

Leerlingen die deeltijds onderwijs of een deeltijdse vorming volgen

Onder deeltijds leren moet worden verstaan het deeltijds leren in het kader van de deeltijdse leerplicht. Deeltijds leren gebeurt in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Mogen absoluut niet werken als student de jongeren die, na hun voltijdse leerplicht:

  • als deeltijdse studenten verbonden zijn door:
  • overbruggingsuitkeringen ontvangen als deeltijdse studenten.
  • een deeltijdse stageovereenkomst;
  • een deeltijdse arbeidsovereenkomst;
  • een industriële leerovereenkomst;
  • een leerovereenkomst van de middenstand.

Andere deeltijdse studenten dan de hierboven vermelde categorieën, mogen enkel werken tijdens de schoolvakanties.

Studenten uit het hoger onderwijs (bachelor of master) die deeltijds studeren vallen niet onder deze regeling. Zij kunnen tewerkgesteld worden als student voor zover zij geen ander statuut hebben (bv. werkloze, bezoldigde werknemer,…).

Sinds 1 juli 2017 kunnen de jongeren die alternerend leren-werken een studentenovereenkomst sluiten als zij voldoen aan twee voorwaarden:

  • in een systeem van alternerend leren zitten dat bestaat uit, enerzijds een theoretische opleiding (in onderwijsinstelling of in opleidingsorganisatie erkend door de bevoegde overheid) en, anderzijds een praktische opleiding op de werkplek, én
  • geen werkloosheidsuitkering en ook geen inschakelingsuitkering genieten.

Deze nieuwe reglementering geldt voor alle systemen van alternerend leren in alle regio’s van het land (Vlaanderen, Wallonië en Brussel).

Deze jongeren die in een systeem van alternerend leren zitten mogen echter alleen met een studentenovereenkomst worden tewerkgesteld:

  • wanneer zij geen onderwijs of theoretische opleiding moeten volgen of niet aanwezig moeten zijn op de werkplek én
  • uitsluitend voor prestaties bij een andere werkgever dan diegene waar zij hun praktische opleiding volgen op de werkplek.                

Onbezoldigde stagiairs

De onbezoldigde arbeid die deel uitmaakt van het studieprogramma van de student kan niet met een arbeidsovereenkomst voor studenten. Buiten de stagetijd – in het weekend bijvoorbeeld- kunnen zij wel werken als student voor zover zij regelmatig ingeschreven zijn.

Schoolverlater: de jongere die zijn studies stopzet in de loop van het schooljaar.

Een jongere die zijn studies stopzet in de loop van het schooljaar en zich officieel gaat uitschrijven, verliest zijn statuut van student. Hij/zij kan dus niet meer werken als student met een studentenovereenkomst, doch wel als gewone uitzendkracht-arbeider of bediende.

Een jongere die zijn studies stopt tijdens het schooljaar en zich daarentegen niet gaat uitschrijven op school en zich niet inschrijft als werkzoekende bij de VDAB, blijft het statuut van student behouden tijdens dit schooljaar tot het einde van de zomervakantie (september inbegrepen voor studenten uit het hoger en universitair onderwijs).  Hij kan dus nog werken als student met een studentenovereenkomst.

Een jongere die zijn studies stopt tijdens het schooljaar, zich niet uitschrijft op school maar zich wel inschrijft als werkzoekende bij de VDAB, verliest het statuut van student.
                   

Schoolverlater: de jongere die zijn studies beëindigt op het einde van het schooljaar.

Indien een student zijn studies in juni /juli beëindigt en zich inschrijft als werkzoekende bij de VDAB om de beroepsinschakelingstijd (vroegere wachttijd) aan te vatten, kan tijdens de vakantieperiode (juli, augustus en september) nog met een studentenovereenkomst werken. 

Elke afgestudeerde student verliest na de zomervakantie automatisch het statuut van student. Hij kan dus niet meer met een studentenovereenkomst tewerkgesteld worden.
                   

Studentenovereenkomst

Indien men als werkgever een jongere wil tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst voor studenten, zijn er specifieke verplichtingen waaraan de arbeidsovereenkomst moet voldoen:

  • Indien men een student wil tewerkstellen, is altijd een geschreven overeenkomst vereist. 
  • Deze overeenkomst moet ten laatste ondertekend worden op het moment van de tewerkstelling. Dit is een afwijking van de algemene regel voor uitzend-arbeidsovereenkomsten die verplicht binnen de twee werkdagen moeten ondertekend worden. De arbeidsovereenkomst wordt opgemaakt in twee exemplaren: één voor de uitzendkracht-student en één voor het uitzendbureau.
  • In de arbeidsovereenkomst moet een aantal verplichte vermeldingen voorkomen zoals de identiteit, de geboortedatum en de woonplaats van de partijen, de start- en einddatum van de overeenkomst, de plaats van de uitvoering van de overeenkomst, de arbeidsduur per dag en week, een beknopte beschrijving van de uit te voeren taken, ... 

Voor een volledig overzicht van deze verplichte vermeldingen, kan je langsgaan bij jouw dichtstbijzijnde Unique kantoor.

Beëindiging van de studentenovereenkomst

Ingeval één van de beide partijen de arbeidsovereenkomst voor studenten wil beëindigen, moeten volgende opzeggingstermijnen gerespecteerd worden:

  • Contract van 1 maand of minder: 3 dagen voor de werkgever en 1 dag voor de student.
  • Contract met een duurtijd van meer dan 1 maand: 7 dagen voor de werkgever en 3 dagen voor de student.
De student werkt in eenzelfde kalenderjaar bij slechts 1 werkgever.

Vanaf het 476ste uur

De uren gewerkt bovenop het studentencontingent zijn onderworpen aan de hogere RSZ-bijdragen.

Uur 1 – 475

Wat er met de eerste tot en met het 475ste gewerkte uur gebeurt, hangt eigenlijk af van de werkgever zelf.


De student werkt in eenzelfde kalenderjaar bij verschillende werkgevers.

Vanaf het 475ste uur

De uren gewerkt bovenop het studentencontingent zijn onderworpen aan de hogere RSZ-bijdragen.

Het is de volgorde van de Dimona-aangifte die de volgorde bepaalt van de overschrijding van de uren van het studentencontingent. 

Als een eerste werkgever een Dimona-aangifte doet in februari voor prestaties die later dat jaar gaan plaatsvinden in oktober en een tweede werkgever doet een Dimona-aangifte in juli voor prestaties in juli, dan zal de tweede werkgever gesanctioneerd worden in geval van een overschrijding van het aantal uren van het studentencontingent. 

Studenten moeten sinds 1 juli 2016 niet langer eerst hun studentencontingent uitputten om als werkstudent tewerkgesteld te kunnen worden. Als de uitzendkracht-student er voor kiest om niet als jobstudent tegen de solidariteitsbijdrage te werken, maar om als werkstudent te werken, moet dit schriftelijk overeengekomen worden met de student.



Ten laste blijven van de ouders

Om fiscaal ten laste van zijn ouders te blijven, moet de student 3 voorwaarden vervullen:

  1. hij moet deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar, het jaar waarin de student zijn belastingbrief invult voor zijn inkomsten van het voorgaande jaar (vb. voor de inkomsten verdiend in 2018, moet de student op 1 januari 2019 nog deel uitmaken van het gezin om ten laste te kunnen blijven);
  2. hij mag niet bij zijn ouders tewerkgesteld worden;
  3. zijn netto inkomsten mogen volgende bedragen niet overschrijden (bedragen inkomstenjaar 2019, aanslagjaar 2020):
  • 6.110 EUR (3.330 EUR netto + vrijstelling 2.780 EUR*), indien hij ten laste valt van een 2 ouder-gezin;
  • 7.590 EUR (4.810 EUR netto + vrijstelling 2.780 EUR*), indien hij ten laste is van een alleenstaande belastingplichtige.

De vrijstelling van 2.780 EUR op de inkomsten van studenten, geldt naast de al bestaande vrijstellingen. Volgens de wet tellen ook onder meer kinderbijslag, kraamgelden, adoptiegelden niet mee voor de berekening van de netto-bestaansmiddelen.  Onderhoudsgelden tellen maar mee in zoverre deze een bedrag van 3.330 EUR overschrijden.

Voor het inkomstenjaar 2019 (aanslagjaar 2020) bedraagt de belastingvrije som 8.860 EUR. De student zal zelf geen belastingen betalen wanneer zijn jaarlijks inkomen in 2019 niet groter is dan 8.860 EUR netto belastbaar. Dit stemt overeen met 12.657,14 EUR bruto-belastbaar. 


Recht op kinderbijslag

Studenten jonger dan 18 jaar

Studenten jonger dan 18 jaar hebben steeds recht op kinderbijslag ongeacht de grootte van het bedrag dat hij verdient, het aantal uren dat hij werkt en of hij nog studeert.

Studenten ≥18 jaar en ≤25 jaar

De student (al dan niet onderworpen aan RSZ) ouder dan 18 jaar en jonger dan 25 jaar kan tijdens de zomervakanties (dus het 3de kwartaal: juli, augustus en september) werken zonder dat hij riskeert zijn recht op kinderbijslag te verliezen en dit ongeacht het aantal gepresteerde uren of het verdiende inkomen, behalve tijdens zijn laatste zomervakantie tijdens dewelke hij maximaal 240 uren mag werken.   

Buiten de zomervakanties (dus in het 1ste, 2de of het 4de kwartaal) wordt dit recht beperkt.  In dit geval mag een student maximaal 240 uren per kwartaal werken. Indien de student meer werkt, wordt het recht op kinderbijslag voor dat kwartaal geschorst.

In een arbeidsregime van 38 uren per week of 7,6 uren per dag, komt dit neer op 31 dagen op kwartaalbasis.

Deze regel is eveneens van toepassing indien de student zich reeds heeft ingeschreven als werkzoekende in wachttijd gedurende zijn laatste zomervakantie. Na de zomervakantie zal de persoon (die op dat moment niet meer kan werken als student, maar enkel als gewone uitzendkracht) maximaal 551,89 EUR bruto per maand kunnen verdienen. Indien hij meer verdient dan dit bedrag, zullen zijn ouders het recht op kinderbijslag verliezen gedurende die maand.

Een student die deeltijds secundair onderwijs volgt, zal zijn recht op kinderbijslag behouden indien zijn winstgevende activiteit lager is dan 551,89 EUR bruto.

Sinds 1 januari 2019 is de Vlaamse kinderbijslag gewijzigd. Voor wie in Vlaanderen woont, heeft de federale kinderbijslag begin 2019 plaats gemaakt voor het Groeipakket. Voor gezinnen in Brussel en Wallonië blijft de situatie ongewijzigd tot 2020 en zijn bovenstaande regels nog steeds van toepassing.

Voortaan kan een Vlaamse student als 18-plusser Groeipakket krijgen als hij :

·         niet meer dan 475 uren per jaar werkt als student bij verminderde sociale bijdragen

·         niet meer dan 80 uren per maand werkt bij gewone sociale bijdragen

·         aangesloten is als zelfstandige maar geen bijdragen in hoofdberoep betaalt

·         geen sociale uitkering ontvangt

Schoolverlaters kunnen nog tot 12 maanden recht hebben op het Groeipakket zolang de werkende schoolverlater opgesomde voorwaarden hierboven respecteert. Deze termijn gaat in vanaf de einddatum van de zomervakantie of vanaf het einde van de studies als deze in de loop van het schooljaar worden stopgezet. De student hoeft ook niet langer ingeschreven te zijn bij de VDAB als werkzoekende om Groeipakket te krijgen.